Het Bosduinmysterie – het boek
Daar zitten ze dan, samen dicht bijeen voor de haard. Er brandt een vuurtje van turf en een paar houtblokken in een eenvoudige schouw, zwartgeblakerd van het jarenlange gebruik. Moeder Philomena zit op een krukje, haar schort nog om. Leontine en Rosalie, elf en twaalf, zitten op de vloer, dicht bij elkaar. De oudste heeft een lapjespop op haar schoot; de jongste houdt haar handpalmen naar het vuur om ze te warmen. Stafke zit op de vloer van aangestampte aarde op een omgekeerde emmer en kijkt met grote ogen naar zijn vader, in afwachting dat die begint te vertellen. Theofiel zit op een houten stoel, de enige in huis met armleuningen. Zijn handen die ruw zijn van het turfsteken en van het maaien van zijn akker, liggen rustend in z’n schoot. De vlammen werpen grillige schaduwen op de witgekalkte muren. Buiten – in het bos vlakbij – huilt de wind in de hoge dennen. Een sneeuwjacht geselt de houten luiken voor de ramen. Maar binnen is het knus en warm. Vader recht z’n rug, haalt diep adem en begint. ‘Luistert goed, kinders… want dit is een verhaal dat ge niet vertelt op klaarlichte dag. Dit is de Sage van de Witte Waker.’ Leontine en Rosalie houden hun adem in. Stafke trekt zijn knieën op. Doorheen de huilende wind horen ze in de verte een klok, die zeven keer luidt. ‘Ik las het al in de gazet, hij is alweer gezien, hier vlakbij nog wel, aan het Bosduinven.’ ‘Hoe ziet die eruit, vader, de Witte Waker?’ vraagt Leontine, die bijna aan z’n lippen hangt. ‘Zwijg snottebel, laat u vader spreken!’ Ze wordt terechtgewezen door haar moeder. ‘De Witte Waker,’ zegt Theofiel, ‘draagt een lange, sneeuwwitte pij, de kap over z’n hoofd getrokken, z’n gezicht is onzichtbaar. Hij schrijdt geruisloos over de waterlijn. Waar de zoom van zijn wit gewaad het ven raakt, bevriest het water onmiddellijk in de vorm van kristallen bloemen.’ De klein gasten slaan alsof het afgesproken is, alle drie tegelijk de handen voor hun mond. Theofiel pauzeert even, om het beeld goed te laten doordringen. Dan vertelt hij verder. ‘Zijn gedaante straalt in de duisternis een bleke, heilige gloed uit. In zijn hand houdt hij geen lantaarn, maar een mysterieus licht dat uit het ven zelf lijkt op te stijgen. Men zegt dat wie heel stil is bij het water, de Witte Waker hoort prevelen in het Latijn. Plechtige verzen, bedoeld om de gewijde voorwerpen in de modder te zegenen en te behoeden voor verstoring van hun rustplaats. Want lang geleden kwam Pater Gregorius van de abdij van Tongerlo hier een schat verbergen, twee kisten vol goud en zilver. Hij stortte ze
in het ven om ze te behoeden voor het Franse gespuis van heidenen en hun handlangers, die ze wilden roven. Maar pater Gregorius zwoer een dure eed: hij zou altijd over de schat waken en wie er durfde naar te grijpen, zou het slecht vergaan. Alijt, de heks van het Bosduinven, was zijn getuige.’ ‘De… de heks?’ brengt Rosalie met moeite uit. ‘De heks ja, maar dat is voor straks,’ zegt Theofiel, terwijl hij van Philomena een pul donker bier aangereikt krijgt om z’n mond te spoelen. ‘Sindsdien duldt de Witte Waker geen gelukzoekers die met dreggen en netten naar de kerkschat komen vissen. Wie te dicht bij de schat komt, wordt bevangen door een radeloze angst en ziet de witte gestalte dreigend op zich afkomen, terwijl het water om hem heen begint te koken. De waaghals die met haken, netten of hebzuchtige handen het ven beroert, roept een onontkoombaar noodlot over zichzelf af. Zodra de dief de oever verlaat met ook maar het kleinste sieraad uit de schat, trekt de Witte Waker een muur op van ondoordringbare, melkwitte mist. De dief zal urenlang ronddwalen, om telkens weer uit te komen bij exact dezelfde plek aan de waterkant. Ontsnappen uit de Kempense bossen wordt onmogelijk. Men zegt dat, wie de Witte Waker recht in de holle ogen kijkt terwijl hij een voorwerp uit de schat vasthoudt, ter plekke versteent vanbinnen. Zijn hart wordt koud als het venwater, en de dief verliest elk gevoel van vreugde of warmte voor de rest van zijn dagen.

De Sage van de Witte Waker

deel 2
Het huis van Uitgeverij / imprint: Noorderkempen Cosy Crime Press
Creatief Koken de              passie kookvurige
privacy beleid
dorpsdetectives met pantoffelsuspense
Vlaamse Cosy Crime Mysteries
Het Bosduinmysterie - bonusverhaal
HETSCHRIJVEN van straf idee tot boek

De Sage van

de Witte Waker

Daar zitten ze dan, samen dicht bijeen voor de haard. Er brandt een vuurtje van turf en een paar houtblokken in een eenvoudige schouw, zwartgeblakerd van het jarenlange gebruik. Moeder Philomena zit op een krukje, haar schort nog om. Leontine en Rosalie, elf en twaalf, zitten op de vloer, dicht bij elkaar. De oudste heeft een lapjespop op haar schoot; de jongste houdt haar handpalmen naar het vuur om ze te warmen. Stafke zit op de vloer van aangestampte aarde op een omgekeerde emmer en kijkt met grote ogen naar zijn vader, in afwachting dat die begint te vertellen. Theofiel zit op een houten stoel, de enige in huis met armleuningen. Zijn handen die ruw zijn van het turfsteken en van het maaien van zijn akker, liggen rustend in z’n schoot. De vlammen werpen grillige schaduwen op de witgekalkte muren. Buiten – in het bos vlakbij – huilt de wind in de hoge dennen. Een sneeuwjacht geselt de houten luiken voor de ramen. Maar binnen is het knus en warm. Vader recht z’n rug, haalt diep adem en begint. ‘Luistert goed, kinders… want dit is een verhaal dat ge niet vertelt op klaarlichte dag. Dit is de Sage van de Witte Waker.’ Leontine en Rosalie houden hun adem in. Stafke trekt zijn knieën op. Doorheen de huilende wind horen ze in de verte een klok, die zeven keer luidt. ‘Ik las het al in de gazet, hij is alweer gezien, hier vlakbij nog wel, aan het Bosduinven.’ ‘Hoe ziet die eruit, vader, de Witte Waker?’ vraagt Leontine, die bijna aan z’n lippen hangt. ‘Zwijg snottebel, laat u vader spreken!’ Ze wordt terechtgewezen door haar moeder. ‘De Witte Waker,’ zegt Theofiel, ‘draagt een lange, sneeuwwitte pij, de kap over z’n hoofd getrokken, z’n gezicht is onzichtbaar. Hij schrijdt geruisloos over de waterlijn. Waar de zoom van zijn wit gewaad het ven raakt, bevriest het water onmiddellijk in de vorm van kristallen bloemen.’ De klein gasten slaan alsof het afgesproken is, alle drie tegelijk de handen voor hun mond. Theofiel pauzeert even, om het beeld goed te laten doordringen. Dan vertelt hij verder. ‘Zijn gedaante straalt in de duisternis een bleke, heilige gloed uit. In zijn hand houdt hij geen lantaarn, maar een mysterieus licht dat uit het ven zelf lijkt op te stijgen. Men zegt dat wie heel stil is bij het water, de Witte Waker hoort prevelen in het Latijn. Plechtige verzen, bedoeld om de gewijde voorwerpen in de modder te zegenen en te behoeden voor verstoring van hun rustplaats. Want lang geleden kwam Pater Gregorius van de abdij van Tongerlo hier een schat verbergen, twee kisten vol goud en zilver. Hij stortte ze in het ven om ze te behoeden voor het Franse gespuis van heidenen en hun handlangers, die ze wilden roven. Maar pater Gregorius zwoer een dure eed: hij zou altijd over de schat waken en wie er durfde naar te grijpen, zou het slecht vergaan. Alijt, de heks van het Bosduinven, was zijn getuige.’ ‘De… de heks?’ brengt Rosalie met moeite uit. ‘De heks ja, maar dat is voor straks,’ zegt Theofiel, terwijl hij van Philomena een pul donker bier aangereikt krijgt om z’n mond te spoelen. ‘Sindsdien duldt de Witte Waker geen gelukzoekers die met dreggen en netten naar de kerkschat komen vissen. Wie te dicht bij de schat komt, wordt bevangen door een radeloze angst en ziet de witte gestalte dreigend op zich afkomen, terwijl het water om hem heen begint te koken. De waaghals die met haken, netten of hebzuchtige handen het ven beroert, roept een onontkoombaar noodlot over zichzelf af. Zodra de dief de oever verlaat met ook maar het kleinste sieraad uit de schat, trekt de Witte Waker een muur op van ondoordringbare, melkwitte mist. De dief zal urenlang ronddwalen, om telkens weer uit te komen bij exact dezelfde plek aan de waterkant. Ontsnappen uit de Kempense bossen wordt onmogelijk. Men zegt dat, wie de Witte Waker recht in de holle ogen kijkt terwijl hij een voorwerp uit de schat vasthoudt, ter plekke versteent vanbinnen. Zijn hart wordt koud als het venwater, en de dief verliest elk gevoel van vreugde of warmte voor de rest van zijn dagen.
Het Bosduinmysterie bonusverhaal

deel 2

cosycrime.be Het huis van Uitgeverij / imprint: Noorderkempen Cosy Crime Press
Het Menu - klik en kijk
Vlaamse  Cosy Crime Mysteries
dorpsdetectives met pantoffelsuspense
HETSCHRIJVEN van straf idee tot boek